Rouw­jour­naal

Auteur: Jan Sie­be­link

Jan Sie­be­link, leraar Frans en schrij­ver. Schreef 40, meest­al psy­cho­lo­gi­sche romans. De belang­rijk­ste was de eer­ste, ook ver­film­de, roman “Knie­len op een bed vio­len”. Daar komen zijn thema’s, het zware geloof, angst, ver­val en de dood veel­vul­dig voor.

Wan­neer Gerda zijn vrouw en grote lief­de gaat ster­ven, na een ont­luis­te­rend ziek­bed van een paar maan­den, komen al deze thema’s ook zijn per­soon­lij­ke leven bin­nen geslo­pen. Na haar dood en alle zorg die hij heeft gehad als man­tel­zor­ger, blijft hij ont­red­derd ach­ter. Het huis voelt dood en ziel­loos. Gerda ont­breekt en de wereld is leeg.

Dit red ik niet — Ik ben 86, schrijft hij. Hoe­lang heb ik nog – 3 jaar – 1000 dagen zon­der haar. Onmo­ge­lijk. Een bevriend schrij­ver spoort hem aan om te gaan schrij­ven. Waar­om zou je niet pro­be­ren vorm te geven aan je ver­driet? Als je lan­ger wacht tot de tijd voor­bij gaat, is die wond een lit­te­ken gewor­den. Nu sij­pelt er nog bloed uit en dat mag de lezer weten en voe­len.

Hij schreef niet in zijn stu­deer­ka­mer, maar in de voor­ka­mer van zijn huis tegen­over Gerda’s piano. Hier begon zijn schrijf­pro­ces. Een jour­naal over zijn leven met Gerda. Geen afge­rond ver­haal, maar tui­me­len­de gedach­ten, asso­ci­a­ties note­rend. Wie zij was, en dat zij voort kan blij­ven leven.  Als eer­be­toon aan zijn bij­zon­de­re vrouw. Zij, die veel rea­lis­ti­scher in het leven stond.

“Je moet het leven tot het eind toe goed vol­bren­gen”, dat droeg ze uit. En dat is en wordt voor hem nog een hele opdracht, want oude ang­sten kwa­men terug en het ver­le­den liet zich gel­den.

Het boek ein­digt ook met lief­de­vol­le her­in­ne­rin­gen aan zijn ouders. De kwe­ke­rij en de begraaf­plaats. Schuld­ge­voe­lens en de angst voor Gods oor­deel spe­len weer op. “Ik heb de vei­lig­heid en gebor­gen­heid van het ouder­lijk huis gemist” zijn de laat­ste zin­nen van het jour­naal. Niet alleen verse won­den doen pijn, schrijft hij, ook diepe lit­te­kens blij­ven pijn­lijk.

Alles in zijn leven was haar toe­ge­wijd, beseft hij pas als zij er niet meer is. Er ont­breekt er een- en de wereld is leeg.

Per­soon­lij­ke toe­lich­ting

Het boek raak­te mij omdat er pas diepe wan­hoop en een­zaam­heid was toen zijn vrouw was over­le­den. Dat was eer­lijk en oprecht beschre­ven waar­bij ieder die zo’n pro­ces mee­maakt veel zal her­ken­nen. Voor­al ook man­nen.

Zolang de ver­bin­ding met haar niet was ver­bro­ken en hij er voor haar kon zijn en zij haar pro­ces kon dra­gen waren ze nog een een­heid. Door het op te schrij­ven kon hij haar nog dicht bij zich hou­den tot het onver­bid­de­lijk niet meer te ont­ken­nen was.

  • Er moe­ten men­sen zijn

    van Toon Hermans

    Er moeten mensen zijn
    die zonnen aansteken,
    voordat de wereld verregent.

    Mensen die zomervliegers oplaten
    als het ijzig wintert,
    en die confetti strooien
    tussen de sneeuwvlokken.

    Die mensen moeten er zijn.

    Er moeten mensen zijn
    die aan de uitgang van het kerkhof
    ijsjes verkopen,
    en op de puinhopen
    mondharmonica spelen.

    Er moeten mensen zijn,
    die op hun stoelen gaan staan,
    om sterren op te hangen
    in de mist.
    Die lente maken
    van gevallen bladeren,
    en van gevallen schaduw,
    licht.

    Er moeten mensen zijn,
    die ons verwarmen
    en die in een wolkeloze hemel
    toch in de wolken zijn
    zo hoog
    ze springen touwtje
    langs de regenboog
    als iemand heeft gezegd:
    kom maar in mijn armen

    Bij dat soort mensen wil ik horen
    Die op het tuinfeest in de regen BLIJVEN dansen
    ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

    Er moeten mensen zijn
    die op het grijze asfalt
    in grote witte letters
    LIEFDE verven
    Mensen die namen kerven
    in een boom
    vol rijpe vruchten
    omdat er zoveel anderen zijn
    die voor de vlinders vluchten
    en stenen gooien
    naar het eerste lenteblauw
    omdat ze bang zijn
    voor de bloemen
    en bang zijn voor:
    ik hou van jou

    Ja,
    er moeten mensen zijn
    met tranen
    als zilveren kralen
    die stralen in het donker
    en de morgen groeten
    als het daglicht binnenkomt
    op kousenvoeten

    Weet je,
    er moeten mensen zijn,
    die bellen blazen
    en weten van geen tijd
    die zich kinderlijk verbazen
    over iets wat barst
    van mooiigheid
    Ze roepen van de daken
    dat er liefde is
    en wonder
    als al die anderen schreeuwen:
    alles heeft geen zin
    dan blijven zij roepen:
    neen, de wereld gaat niet onder
    en zij zien in ieder einde
    weer een nieuw begin
    Zij zijn een beetje clown,
    eerst het hart
    en dan het verstand
    en ze schrijven met hun paraplu
    i love you in het zand
    omdat ze zo gigantisch
    in het leven opgaan
    en vallen
    en vallen
    en vallen
    en OPSTAAN

    Bij dát soort mensen wil ik horen
    die op het tuinfeest in de regen BLIJVEN dansen
    ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
    de muziek gaat DOOR
    de muziek gaat DOOR
    en DOOR