Uit de tijd geval­len

Wie uit de tijd valt leeft alleen nog voort in de her­in­ne­ring van hen die hem of haar lief had­den.

Samen­vat­ting


Na het avond­eten staat hij plot­se­ling op, neemt afscheid van zijn vrouw en ver­trekt naar ‘daar’ om — één keer, heel kort — hun dode zoon te zien. Anders is het ver­driet niet meer uit te hou­den, nadat hij er vijf jaar over zweeg. Onder­weg slui­ten zich tot zijn ver­ba­zing meer en meer men­sen bij hem aan, alle­maal vaders en moe­ders die geen vrede kun­nen vin­den met de dood van hun kin­de­ren.

In de veel­stem­mi­ge stoet bevin­den zich een stadschro­ni­queur, die alles moet opte­ke­nen, een her­tog, een oude reken­on­der­wij­zer, een vroed­vrouw en een schoen­ma­ker. Zij pas­se­ren in een lange optocht de cen­taur. Deze onge­luk­ki­ge — ‘half schrij­ver, half schrijf­ta­fel’ — pro­beert het ver­driet om de dood van zijn zoon al jaren in woor­den te vat­ten. Schrij­ven, zegt hij, is de enige manier om iets te begrij­pen. Tegen de stadschro­ni­queur met zijn droge aan­te­ke­nin­gen brult hij: ‘Schrijf nu dan als­je­blieft op in koei­en­let­ters: ik moet het her­schep­pen in de vorm van een ver­haal! Begre­pen?’

Het lukt hem uit­ein­de­lijk om daar de juis­te woor­den voor te vin­den, maar de prijs die hij betaalt, is hoog. Met het afron­den van zijn ver­haal, is hij zijn zoon defi­ni­tief kwijt.

Uit de tijd val­len ver­kent in pre­cie­ze en tege­lij­ker­tijd poë­ti­sche taal de pijn en het ver­driet van ouders die een kind ver­lo­ren heb­ben. Vijf jaar na de dood van zijn in de oor­log gesneu­vel­de zoon Uri slaagt David Gross­man op onge­ë­ve­naar­de wijze in deze bijna onmo­ge­lij­ke onder­ne­ming. Waar het nodig is zelfs met ver­twij­fel­de humor.

Uit de tijd val­len ont­leent zijn over­wel­di­gen­de kracht en mees­ter­schap para­doxaal genoeg aan de com­bi­na­tie van ontroost­baar­heid over het ver­lies en de dis­tan­tie daar­toe. Zoiets, mom­pelt de cen­taur, kan alleen in een ver­haal luk­ken. Gross­man heeft al lang naam en faam als een groot ver­tel­ler. Uit de tijd val­len leest als een onsen­ti­men­teel ver­haal, dat ons tot lang na de laat­ste blad­zij­de niet los­laat.

Auteur
David Grossman
Publicatiedatum
2008
Uitgever
Uitgeverij Cossee
ISBN
Aantal exemplaren
6
Boek lenen?

Voorafgaand aan het Rouwcafé kun je boeken halen of terugbrengen. Ook kun je in overleg een afspraak maken om de boeken in te zien. Ben je niet in de gelegenheid om onze activiteiten te bezoeken, maar wil je wel een boek lenen? Bel ons op tel: 06-17159295 om een afspraak te maken om het boek op te halen.

  • Er moe­ten men­sen zijn

    van Toon Hermans

    Er moeten mensen zijn
    die zonnen aansteken,
    voordat de wereld verregent.

    Mensen die zomervliegers oplaten
    als het ijzig wintert,
    en die confetti strooien
    tussen de sneeuwvlokken.

    Die mensen moeten er zijn.

    Er moeten mensen zijn
    die aan de uitgang van het kerkhof
    ijsjes verkopen,
    en op de puinhopen
    mondharmonica spelen.

    Er moeten mensen zijn,
    die op hun stoelen gaan staan,
    om sterren op te hangen
    in de mist.
    Die lente maken
    van gevallen bladeren,
    en van gevallen schaduw,
    licht.

    Er moeten mensen zijn,
    die ons verwarmen
    en die in een wolkeloze hemel
    toch in de wolken zijn
    zo hoog
    ze springen touwtje
    langs de regenboog
    als iemand heeft gezegd:
    kom maar in mijn armen

    Bij dat soort mensen wil ik horen
    Die op het tuinfeest in de regen BLIJVEN dansen
    ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

    Er moeten mensen zijn
    die op het grijze asfalt
    in grote witte letters
    LIEFDE verven
    Mensen die namen kerven
    in een boom
    vol rijpe vruchten
    omdat er zoveel anderen zijn
    die voor de vlinders vluchten
    en stenen gooien
    naar het eerste lenteblauw
    omdat ze bang zijn
    voor de bloemen
    en bang zijn voor:
    ik hou van jou

    Ja,
    er moeten mensen zijn
    met tranen
    als zilveren kralen
    die stralen in het donker
    en de morgen groeten
    als het daglicht binnenkomt
    op kousenvoeten

    Weet je,
    er moeten mensen zijn,
    die bellen blazen
    en weten van geen tijd
    die zich kinderlijk verbazen
    over iets wat barst
    van mooiigheid
    Ze roepen van de daken
    dat er liefde is
    en wonder
    als al die anderen schreeuwen:
    alles heeft geen zin
    dan blijven zij roepen:
    neen, de wereld gaat niet onder
    en zij zien in ieder einde
    weer een nieuw begin
    Zij zijn een beetje clown,
    eerst het hart
    en dan het verstand
    en ze schrijven met hun paraplu
    i love you in het zand
    omdat ze zo gigantisch
    in het leven opgaan
    en vallen
    en vallen
    en vallen
    en OPSTAAN

    Bij dát soort mensen wil ik horen
    die op het tuinfeest in de regen BLIJVEN dansen
    ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
    de muziek gaat DOOR
    de muziek gaat DOOR
    en DOOR