Auteur: Frode Gryt­ten

De laat­ste dag van de veer­man

Op een regen­ach­ti­ge novem­ber­dag wordt Nils Vik wak­ker in de weten­schap dat het zijn laat­ste dag op aarde is. Hij is oud, zijn vrouw Marta is over­le­den; het is goed zo. Hij treft voor­be­rei­din­gen om zijn huis ver­zorgd ach­ter te laten en schrijft een aller­laat­ste kaart voor zijn doch­ters.

Ogen­schijn­lijk ver­telt de roman het een­vou­di­ge ver­haal van een dage­lijk­se vaar­tocht over de fjord, maar het is voor­al een ver­haal van her­in­ne­rin­gen. Nils bezorgt de krant bij men­sen aan de fjord en bewaart van elke dag een krant, jaar­gan­gen lang, in de kel­der. Zijn vrouw Marta heeft dat lie­ver niet, ze zegt: „We kun­nen de kel­der niet vol heb­ben met het ver­le­den.”

Voor de laat­ste keer vaart hij het fjord op. Het enige gezel­schap dat de veer­man heeft aan boord van zijn schip is Lune, zijn hond. Hij praat met haar en zij praat ver­ras­sen­der­wijs terug. Ze voe­ren gesprek­ken over vroe­ger, over de pas­sa­giers die mee­gin­gen, altijd maar voor korte duur want de afstand over het zoute water is maar klein. Vik raad­pleegt zijn log­boe­ken en haalt haar­scherp al die namen en gezich­ten en ook de gesprek­ken van vroe­ger te voor­schijn. Hij roept de doden terug uit het doden­rijk, alsof ze wer­ke­lijk weer bestaan. Zijn bezoe­kers her­in­ne­ren hem aan grote en klei­ne gebeur­te­nis­sen, waar hij – bewust of niet – een ver­bin­den­de rol in speel­de: hij zorg­de dat zij op fami­lie­be­zoek kon­den, hij assis­teer­de een man die op zoek was naar een huwe­lijks­kan­di­daat, hij hielp men­sen naar het zie­ken­huis of naar het gemeen­te­huis om te trou­wen, hij voer hen naar een nieu­we lief­de, hij zwaai­de een gezin uit dat emi­greer­de, en hij hielp zelfs een baby gebo­ren wor­den. Hij is tegen ieder­een vrien­de­lijk en zorg­zaam, hij ziet wie zij zijn, ziet hun noden, ziet hun mens­zijn en ont­fermt zich over hen zon­der daar woor­den aan vuil te maken.

Alhoe­wel het boek gaat over mis­sen, ver­driet en rouw over afscheid en weer­zien, is eer­der troost­rijk dan droe­vig.

Na het lezen van dit boek ligt er de uit­no­di­ging om te reflec­te­ren op jouw eigen leven: wie was/is van bete­ke­nis, voor wie heb/had jij bete­ke­nis?