van Ted van Lies­hout

Aan de rand­jes ging hij lang­zaam dood

Ik zag het door de lakens heen en wilde vra­gen

of hij pijn had, maar ik durf­de niet.

Wat moest ik doen? Een leuk ver­haal ver­tel­len

om hem op te beu­ren en zo ver­klap­pen

wat hij had gemist? Hem troos­ten met het wereld­leed?

Ik streel­de zijn wang en zweeg en wij keken

een beet­je langs elkaar heen, bang

voor onze ogen die we niet begrij­pen wil­den.

Hij kreeg haar­tjes op zijn kin. Zon­der na te den­ken

liet ik ze hem in een spie­gel zien.

Hij zocht zich­zelf. Ik beef­de haast van spijt.

Hij wilde geen bezoek meer. Wij waren gekwetst.

Hij hield alvast maar wat min­der van ons.

Dan viel het afscheid niet zo zwaar. Dat weet ik nu.

De baard kwam niet meer af. Ik her­ken zijn stem nog

soms, als ik lach. Dan luis­ter ik geschrok­ken,

maar alleen in de stil­te is er iets voor­goed voor­bij.