Gedich­ten

Vind troost in een gedicht

Gedich­ten zijn een mooie manier om het ver­lies van een dier­ba­re te ver­wer­ken. Op deze pagi­na delen we diver­se gedich­ten over o.a. de dood, ver­lies, ver­driet, rouw en gemis.

Afscheid nemen

Is met zach­te vin­gers

wat voor­bij is dicht­doen

en ver­pak­ken

in goede gedach­ten der her­in­ne­ring.

Is ver­wij­len

bij een brok leven

en stil­staan op de pie­ken

van pijn en vreug­de.

Afscheid nemen

is met dank­ba­re han­den

wee­moe­dig mee­dra­gen

al wat waard is

niet te ver­ge­ten …

Is moei­zaam

de dra­den los­ma­ken

en uit het spin­rag

der bele­ve­nis­sen los­ko­men

en ach­ter­la­ten

en niet kun­nen ver­ge­ten …

Diet­rich Bon­hoef­fer

Er moe­ten men­sen zijn

van Toon Her­mans

Er moe­ten men­sen zijn
die zon­nen aan­ste­ken,
voor­dat de wereld ver­re­gent.

Men­sen die zomer­vlie­gers opla­ten
als het ijzig win­tert,
en die con­fet­ti strooi­en
tus­sen de sneeuw­vlok­ken.

Die men­sen moe­ten er zijn.

Er moe­ten men­sen zijn
die aan de uit­gang van het kerk­hof
ijs­jes ver­ko­pen,
en op de puin­ho­pen
mond­har­mo­ni­ca spe­len.

Er moe­ten men­sen zijn,
die op hun stoe­len gaan staan,
om ster­ren op te han­gen
in de mist.
Die lente maken
van geval­len bla­de­ren,
en van geval­len scha­duw,
licht.

Er moe­ten men­sen zijn,
die ons ver­war­men
en die in een wol­ke­lo­ze hemel
toch in de wol­ken zijn
zo hoog
ze sprin­gen touw­tje
langs de regen­boog
als iemand heeft gezegd:
kom maar in mijn armen

Bij dat soort men­sen wil ik horen
Die op het tuin­feest in de regen BLIJVEN dan­sen
ook als de muzi­kan­ten al naar huis zijn gegaan

Er moe­ten men­sen zijn
die op het grij­ze asfalt
in grote witte let­ters
LIEFDE ver­ven
Men­sen die namen ker­ven
in een boom
vol rijpe vruch­ten
omdat er zoveel ande­ren zijn
die voor de vlin­ders vluch­ten
en ste­nen gooi­en
naar het eer­ste len­te­blauw
omdat ze bang zijn
voor de bloe­men
en bang zijn voor:
ik hou van jou

Ja,
er moe­ten men­sen zijn
met tra­nen
als zil­ve­ren kra­len
die stra­len in het don­ker
en de mor­gen groe­ten
als het dag­licht bin­nen­komt
op kou­sen­voe­ten

Weet je,
er moe­ten men­sen zijn,
die bel­len bla­zen
en weten van geen tijd
die zich kin­der­lijk ver­ba­zen
over iets wat barst
van mooi­ig­heid
Ze roe­pen van de daken
dat er lief­de is
en won­der
als al die ande­ren schreeu­wen:
alles heeft geen zin
dan blij­ven zij roe­pen:
neen, de wereld gaat niet onder
en zij zien in ieder einde
weer een nieuw begin
Zij zijn een beet­je clown,
eerst het hart
en dan het ver­stand
en ze schrij­ven met hun para­plu
i love you in het zand
omdat ze zo gigan­tisch
in het leven opgaan
en val­len
en val­len
en val­len
en OPSTAAN

Bij dát soort men­sen wil ik horen
die op het tuin­feest in de regen BLIJVEN dan­sen
ook als de muzi­kan­ten al naar huis zijn gegaan
de muziek gaat DOOR
de muziek gaat DOOR
en DOOR

De laat­ste dagen van mijn broer­tje

van Ted van Lies­hout

Aan de rand­jes ging hij lang­zaam dood

Ik zag het door de lakens heen en wilde vra­gen

of hij pijn had, maar ik durf­de niet.

Wat moest ik doen? Een leuk ver­haal ver­tel­len

om hem op te beu­ren en zo ver­klap­pen

wat hij had gemist? Hem troos­ten met het wereld­leed?

Ik streel­de zijn wang en zweeg en wij keken

een beet­je langs elkaar heen, bang

voor onze ogen die we niet begrij­pen wil­den.

Hij kreeg haar­tjes op zijn kin. Zon­der na te den­ken

liet ik ze hem in een spie­gel zien.

Hij zocht zich­zelf. Ik beef­de haast van spijt.

Hij wilde geen bezoek meer. Wij waren gekwetst.

Hij hield alvast maar wat min­der van ons.

Dan viel het afscheid niet zo zwaar. Dat weet ik nu.

De baard kwam niet meer af. Ik her­ken zijn stem nog

soms, als ik lach. Dan luis­ter ik geschrok­ken,

maar alleen in de stil­te is er iets voor­goed voor­bij.

Ver­want met de dood

Het leven is sinds­dien ver­der­ge­gaan
maar ver­gat mij mee te nemen
en liet me erbui­ten staan.

Ik bezie ‘t van een afstand
maar ‘t raakt me niet echt
ik voel me met de dood ver­want.

Veel men­sen om mij heen
kun­nen het ver­driet niet lan­ger delen
en laten mij daar­in alleen.

Zo bou­wen ze muren van stil­te
waar­in ik me gevan­gen voel
en die mij omge­ven met kilte.

Ze besef­fen niet hoe dat is
hoe gebro­ken mijn bestaan
hoe vol van leeg­te en gemis.

Ik weet, ik kan niet altijd troost ver­wach­ten
maar door er gewoon te zijn
kun­nen ze wel de pijn ver­zach­ten.

Het is niet, dat ik me beklaag
immers ik wil geen mede­lij­den,
‘t is alleen wat warm­te wat ik vraag.

Kok­kie Jon­kers

Op vakan­tie

Ik ben er even uit,
uit de sleur en het gevang;
ver­lost van gedach­ten,
den­kend zon­der besluit.

Even weg van hier,
daar waar jij ook niet bent
ben ik in het hier-en-nu,
hier waar ik vakan­tie vier.

Ont­snapt in het moment;
nu in plaats van later
spreekt de waar­heid me aan,
ben ik er niet aan gewend.

Ik laat alles dat ver­wart,
bang om te ver­ge­ten 
ter­wijl de tijd ver­vliegt,
blijf jij hel­der in mijn hart.

Geschre­ven door Daniel tij­dens zijn vakan­tie

In je hart

Vind troost in die momen­ten dat
het mooi was, dat het stroom­de,
dat het was alsof je droom­de,

dat je even leek te zwe­ven,
dat je droom­de: dit is leven.

dat je wist dat alles goed zat,
dat je nie­mand ooit zó lief had

dat je thuis­kwam na een lange reis
nog nooit zo dicht­bij huis

ver­geet de rest, de strijd, de smart,
de twij­fel en het zwart

dan vind je op een dag,
mis­schien weer vrede in je hart.

Ronald Wij­nia

Goed werk

Goed werk: water wor­den,
wor­tels van plan­ten intrek­ken
trek­vo­gels vul­len met groen,
groe­ten doen naar bene­den;
ach, ik zal dood wel tevre­den
en vre­se­lijk veel moe­ten doen.

Leo Vro­man

De dood

“k Heb voor de dood al meer dan eens een lief gedicht geschre­ven
ik neem hem weer eens op mijn schoot
hij hoort zo bij het leven
ik weet nog hoe bang ik was als kind
wat heb ik ‘m gekne­pen
hij was mijn vij­and, nu mijn vriend
nu heb ik hem begre­pen
hij heeft mij zijn geheim ver­teld
en zo ben ik mijn angst ont­groeid
voor mij is hij een open veld
waar hemel­hoog het voor­jaar bloeit.

 

TOON HERMANS

  • Afscheid nemen

    Is met zach­te vin­gers

    wat voor­bij is dicht­doen

    en ver­pak­ken

    in goede gedach­ten der her­in­ne­ring.

    Is ver­wij­len

    bij een brok leven

    en stil­staan op de pie­ken

    van pijn en vreug­de.

    Afscheid nemen

    is met dank­ba­re han­den

    wee­moe­dig mee­dra­gen

    al wat waard is

    niet te ver­ge­ten …

    Is moei­zaam

    de dra­den los­ma­ken

    en uit het spin­rag

    der bele­ve­nis­sen los­ko­men

    en ach­ter­la­ten

    en niet kun­nen ver­ge­ten …

    Diet­rich Bon­hoef­fer