Gedich­ten

Vind troost in een gedicht

Gedich­ten zijn een mooie manier om het ver­lies van een dier­ba­re te ver­wer­ken. Op deze pagi­na delen we diver­se gedich­ten over o.a. de dood, ver­lies, ver­driet, rouw en gemis.

Ver­want met de dood

Het leven is sinds­dien ver­der­ge­gaan
maar ver­gat mij mee te nemen
en liet me erbui­ten staan.

Ik bezie ‘t van een afstand
maar ‘t raakt me niet echt
ik voel me met de dood ver­want.

Veel men­sen om mij heen
kun­nen het ver­driet niet lan­ger delen
en laten mij daar­in alleen.

Zo bou­wen ze muren van stil­te
waar­in ik me gevan­gen voel
en die mij omge­ven met kilte.

Ze besef­fen niet hoe dat is
hoe gebro­ken mijn bestaan
hoe vol van leeg­te en gemis.

Ik weet, ik kan niet altijd troost ver­wach­ten
maar door er gewoon te zijn
kun­nen ze wel de pijn ver­zach­ten.

Het is niet, dat ik me beklaag
immers ik wil geen mede­lij­den,
‘t is alleen wat warm­te wat ik vraag.

Kok­kie Jon­kers

Op vakan­tie

Ik ben er even uit,
uit de sleur en het gevang;
ver­lost van gedach­ten,
den­kend zon­der besluit.

Even weg van hier,
daar waar jij ook niet bent
ben ik in het hier-en-nu,
hier waar ik vakan­tie vier.

Ont­snapt in het moment;
nu in plaats van later
spreekt de waar­heid me aan,
ben ik er niet aan gewend.

Ik laat alles dat ver­wart,
bang om te ver­ge­ten 
ter­wijl de tijd ver­vliegt,
blijf jij hel­der in mijn hart.

Geschre­ven door Daniel tij­dens zijn vakan­tie

In je hart

Vind troost in die momen­ten dat
het mooi was, dat het stroom­de,
dat het was alsof je droom­de,

dat je even leek te zwe­ven,
dat je droom­de: dit is leven.

dat je wist dat alles goed zat,
dat je nie­mand ooit zó lief had

dat je thuis­kwam na een lange reis
nog nooit zo dicht­bij huis

ver­geet de rest, de strijd, de smart,
de twij­fel en het zwart

dan vind je op een dag,
mis­schien weer vrede in je hart.

Ronald Wij­nia

Goed werk

Goed werk: water wor­den,
wor­tels van plan­ten intrek­ken
trek­vo­gels vul­len met groen,
groe­ten doen naar bene­den;
ach, ik zal dood wel tevre­den
en vre­se­lijk veel moe­ten doen.

Leo Vro­man

De dood

“k Heb voor de dood al meer dan eens een lief gedicht geschre­ven
ik neem hem weer eens op mijn schoot
hij hoort zo bij het leven
ik weet nog hoe bang ik was als kind
wat heb ik ‘m gekne­pen
hij was mijn vij­and, nu mijn vriend
nu heb ik hem begre­pen
hij heeft mij zijn geheim ver­teld
en zo ben ik mijn angst ont­groeid
voor mij is hij een open veld
waar hemel­hoog het voor­jaar bloeit.

 

TOON HERMANS

Een gat in de fami­lie

Er is een gat in de fami­lie
 
Het gat is niet te dich­ten.
Het zal er altijd zijn.
En naast dat het ver­drie­tig is,
voelt het ergens ook wel fijn.
 
Want jij blijft zo altijd bij ons.
Jij bent er hoe dan ook nooit niet.
Alleen met jou zijn wij com­pleet.
Er zit zoveel lief­de in ver­driet.
 
Alleen met jou zijn wij com­pleet.
Je bent er .. hoe dan ook .. nooit niet.
 
Schrijf­ster : Anne Marije Maris

Eens wordt het gras weer groen.….

Tus­sen de dra­den van de onbe­schrij­fe­lij­ke pijn
heeft zich ver­we­ven, lang­zaam
onop­ge­merkt haast in ‘t begin,
de vreug­de om wat is
en wat is geweest.
Het doet mij voe­len
‘t leven heeft weer zin.
 
Ik ben niet bang meer voor de dood,
niet bang te hech­ten aan het leven,
aan alles wat mij is gege­ven.
Ik weet dat zij eens weer zal komen
met alle pijn en het gemis,
maar nooit
zal kun­nen nemen,
de her­in­ne­ring aan elk moment
dat mij nu dier­baar is.
 
 
Een lot­ge­no­te

Gedoof­de licht­jes

Wie heeft de licht­jes van de boom gedoofd?
Wie heeft de bal­len weg­ge­haald?
Wie heeft met niets ont­zien­de nuch­ter­heid,
het einde van de roman­tiek bepaald?
 
Wie heeft de kerst­stal inge­pakt;
de uit­ge­bloei­de kerst­ster weg­ge­daan?
Was ik dat zelf?
Waar­om liet ik de licht­jes nog niet even aan?
 
Wie heeft de licht­jes in mijn blik gedoofd?
Dat was ik niet, dat deed het leven!
Maar in de duis­ter­nis bleef één kaars staan;
zo werd mij per ver­gis­sing toch een licht gege­ven.
 
Ik leg mijn hand bescher­mend om de vlam,
zodat de vries­kou van de een­zaam­heid hem niet zal doven.
Het is de vlam van hopen op de zon,
waar­in ik, dwa­lend in de nacht, toch blijf gelo­ven.
 
 
Schrij­ver onbe­kend
 
  • van Wil­lem Mun­ters

    van­daag is het stil

    het werd licht

    zoals gis­te­ren

    alsof het niets is

    van­daag is het stil

    van­daag ont­moe­ten

    toen en nu

    elkaar weer

    van­daag is het stil

    om te over­den­ken wat je

    niet meer zeg­gen kan

    ruim­te om her­in­ne­rin­gen

    voor het grij­pen op te ber­gen

    van­daag is het stil

    droe­vig en mooi tege­lijk

    van­daag kan ook

    een traan

    een beet­je lachen

    een klein beet­je

    jawel

    weet je nog van toen