Gedich­ten

Vind troost in een gedicht

Gedich­ten zijn een mooie manier om het ver­lies van een dier­ba­re te ver­wer­ken. Op deze pagi­na delen we diver­se gedich­ten over o.a. de dood, ver­lies, ver­driet, rouw en gemis.

Gedoof­de licht­jes

Wie heeft de licht­jes van de boom gedoofd?
Wie heeft de bal­len weg­ge­haald?
Wie heeft met niets ont­zien­de nuch­ter­heid,
het einde van de roman­tiek bepaald?
 
Wie heeft de kerst­stal inge­pakt;
de uit­ge­bloei­de kerst­ster weg­ge­daan?
Was ik dat zelf?
Waar­om liet ik de licht­jes nog niet even aan?
 
Wie heeft de licht­jes in mijn blik gedoofd?
Dat was ik niet, dat deed het leven!
Maar in de duis­ter­nis bleef één kaars staan;
zo werd mij per ver­gis­sing toch een licht gege­ven.
 
Ik leg mijn hand bescher­mend om de vlam,
zodat de vries­kou van de een­zaam­heid hem niet zal doven.
Het is de vlam van hopen op de zon,
waar­in ik, dwa­lend in de nacht, toch blijf gelo­ven.
 
 
Schrij­ver onbe­kend
 

UITGEZWAAID

We zwaai­en men­sen uit
ons leven
zon­der het voor­af te weten.

“Was gezel­lig”,
“Zie je gauw”,
“Wel­te­rus­ten”,
“Ik hou van jou”.

En wat voel­de als een komma
blijkt uit­ein­de­lijk een punt.

We zwaai­en uit
zon­der te weten;
omdat je soms
niet weten kunt.

 

Merel Morre

JIJ.….…

 

Ik kan jou

Niet meer aan­ra­ken

En toch

Raak jij mij

Voort­du­rend.

 

Ange­la Kos­ter

Gedach­te­nis

Ze zeg­gen zoveel.….
dat het went,
dat de tijd een helen­de man­tel is.
 
Zoveel.….
dat het over­gaat als griep,
ver­vaagt in het stof van de dagen.
 
Maar het blijft han­gen als mist op mijn haar.
Ik over­win­ter in ver­driet,
om hoe het was, had kun­nen zijn.
 
Jij bloeit lie­ver dan ooit voor­dien,
met nog zach­te­re kleu­ren van het leven.
 
Jou te ver­lie­zen went nooit.
 
 
Mark Naes­sens
 

Elk ding.….

Elk ding is meer dan een ding,

voor wie bemint.

Mijn hand ging

over stoe­len en tafels

en ze bewo­gen van lief­de.

O, wij hiel­den alle­maal van jou.

Her­man de Conin­ck

Nooit meer .….…

Nooit meer mijn neus in de geur van jouw jas
Nooit meer mijn snot aan jouw mou­wen
Nooit meer jouw lie­ve­lings­trui in de was
Nooit meer mijn hand in de jouwe
Nooit meer jouw kus op mijn knie of mijn wang
Nooit meer jouw vouw­fiets­je nat in de gang
Nooit meer jouw mee­neem­brood
Nooit meer de kie­tel­dood
Nooit meer op zater­dag papa-ontbijt
Nooit meer op schoot met jouw arm om mijn bloot­je
Nooit meer jouw kus op mijn wang,
je bent dood, je bent dood, je bent dood, je bent dood,
Voor altijd

UREN ZONDER JOU

Er zijn uren zon­der jou.
Soms, mis­schien, het is denk­baar .….
 
Er zijn rivie­ren met oevers vol boter­bloe­men zon­der jou.
Boten met hak­ke­len­de moto­ren, stroom­op­waarts, zon­der jou.
 
Er zijn wegen zon­der jou.
Zij­we­gen, onge­luk­ken, grep­pels.
 
Vlin­ders zon­der jou zijn er;
Dis­tels, ontel­ba­re.…
 
Er is mis­moe­dig­heid zon­der jou.
Laks­heid, angst­val­lig­heid.
Er gaat geen uur voor­bij,
er is nog geen uur voor­bij­ge­gaan.
 
 
Toon Tel­le­gen

KIJK VOORUIT .….

Kijk voor­uit,
de weg loopt door;
sta niet stil
maar volg het spoor.

Ver­trouw op wat je hart je zegt
geen enkel levens­pad is recht.

Kijk voor­uit, twij­fel niet;
rust even uit bij groot ver­driet.

Laat je ziel zwe­ven
en koes­ter wat je is gege­ven;
aar­zel niet, dit is jouw leven!

 

Jose Kod­den

  • De laat­ste dagen van mijn broer­tje

    van Ted van Lies­hout

    Aan de rand­jes ging hij lang­zaam dood

    Ik zag het door de lakens heen en wilde vra­gen

    of hij pijn had, maar ik durf­de niet.

    Wat moest ik doen? Een leuk ver­haal ver­tel­len

    om hem op te beu­ren en zo ver­klap­pen

    wat hij had gemist? Hem troos­ten met het wereld­leed?

    Ik streel­de zijn wang en zweeg en wij keken

    een beet­je langs elkaar heen, bang

    voor onze ogen die we niet begrij­pen wil­den.

    Hij kreeg haar­tjes op zijn kin. Zon­der na te den­ken

    liet ik ze hem in een spie­gel zien.

    Hij zocht zich­zelf. Ik beef­de haast van spijt.

    Hij wilde geen bezoek meer. Wij waren gekwetst.

    Hij hield alvast maar wat min­der van ons.

    Dan viel het afscheid niet zo zwaar. Dat weet ik nu.

    De baard kwam niet meer af. Ik her­ken zijn stem nog

    soms, als ik lach. Dan luis­ter ik geschrok­ken,

    maar alleen in de stil­te is er iets voor­goed voor­bij.