LOSLATEN

Los­la­ten wat je lief en dier­baar is,
Los­la­ten naar wie je hart uit­ging,
je doet het niet ineens.
Het is als het gaan van een lange, lange weg.
Een weg gepla­veid met her­in­ne­rin­gen,
met beel­den van wel­eer en met emo­ties,
diep en scherp.

Al gaan­de ga je stap voor stap zien, hoe het was, echt was.
Je leert zien voor­bij de bui­ten­kant,
je ziet het ver­bor­gen patroon, het hoe, waar­om.
Je ziet wat de ander toen bewoog,
je ziet, wat je toen, in het ver­le­den niet kon zien,
omdat je er nog mid­den­in stond,
deel was van het geheel.
Maar nu bij elke stap de afstand groeit,
nu ga je zien, begrij­pen, aan­vaar­den.
Zo groeit het inzicht in wat was.

En pas wan­neer je alles hebt gezien,
door­voeld, wan­neer je hebt begre­pen
hoe het was, echt was
wan­neer de tra­nen zijn gegaan, pas dan
ein­de­lijk dan,
kun je de deur van het ver­le­den slui­ten
en ben je vrij en open voor
wat al zolang naar je toe wil komen:
Een nieu­we toe­komst.

Hans Stolp

  • De laat­ste dagen van mijn broer­tje

    van Ted van Lieshout

    Aan de randjes ging hij langzaam dood

    Ik zag het door de lakens heen en wilde vragen

    of hij pijn had, maar ik durfde niet.

    Wat moest ik doen? Een leuk verhaal vertellen

    om hem op te beuren en zo verklappen

    wat hij had gemist? Hem troosten met het wereldleed?

    Ik streelde zijn wang en zweeg en wij keken

    een beetje langs elkaar heen, bang

    voor onze ogen die we niet begrijpen wilden.

    Hij kreeg haartjes op zijn kin. Zonder na te denken

    liet ik ze hem in een spiegel zien.

    Hij zocht zichzelf. Ik beefde haast van spijt.

    Hij wilde geen bezoek meer. Wij waren gekwetst.

    Hij hield alvast maar wat minder van ons.

    Dan viel het afscheid niet zo zwaar. Dat weet ik nu.

    De baard kwam niet meer af. Ik herken zijn stem nog

    soms, als ik lach. Dan luister ik geschrokken,

    maar alleen in de stilte is er iets voorgoed voorbij.