Rou­wen en mis­sen

 
Bij de logo­pe­dist las ik: “Slaap je niet dan lig je toch”.
Het was een gedicht van een schrij­ver die wel een mil­joen
rouw­vlieg­jes in haar buik droeg.
 
In taal komt de dood soms op kou­sen­voe­ten,
dan weer stom­me­lend van de trap.
Ik wilde hem op heter­daad betrap­pen, hem dicht­klap­pen zoals een boek,
om het later weer open te slaan.
 
Later wil zeg­gen dat als ik groot ben, fer­mer mis­schien,
als ik heb geleerd dat gemis fami­lie is en geluk een goede vriend die je graag ziet,
maar wegens tijd­ge­brek meest­al mis loopt.
 
Ik ging van het gedicht hou­den en mijn spraak vor­der­de,
al ver­slik­te ik me soms in een woord, waar­op de logo­pe­dist zei:
“je bent te gul­zig, je schranst, als je zo door­gaat komen je dar­men in de knoop”.
 
En: rouw je niet dan mis je toch!
 
 
  • Je hebt van die dagen …

    Hans Kuyper

    Je hebt van die dagen …

    Dan ben je er niet,

    En dan moet ik iets doen

    Met dat stille verdriet

    Dan pak ik de verfdoos

    En stevig papier,

    Dan maak ik je zelf wel,

    Ik verf je naar hier …

    Penseel in het water,

    Penseel in de doos ….

    Hoe moet ik verder?

    Ik weet al een poos,

    Ik weet al nog voor ik

    Met verven begin:

    Het blauw van je ogen …

    Het zit er niet in.